ARCHITECTUUR - architectuur met een knipoog

Architectuur en meubelen liggen dicht bij elkaar. Meubelmakers werden architecten en architecten maken vaak ook meubelen. In het werk van architecten/meubelontwerpers is altijd een relatie te zien tussen het gebouw en het meubel. Dat is logisch, want ze zijn vanuit dezelfde ontwerpopvatting ontworpen. Bij Jan Brouwer gaat dat om constructieve logica, het laten zien van de krachten die op het object aangrijpen (niet alleen de zwaartekracht, maar ook dynamische krachten) en het tonen van de productietechnieken die voor de totstandkoming zijn ingezet. Zowel zijn gebouwen als zijn meubelen zijn ontworpen vanuit ‘constructieve en productieve logica’. Maar er is meer relatie tussen zijn gebouwen en zijn meubelen. De (latere) gebouwen van Brouwer zijn ontworpen met de precisie van meubelen en bedacht vanuit het vakmanschap van een meubelmaker. De gebouwen zijn slim, licht, demontabel, met nieuwe technieken en nieuwe materialen geproduceerd. Bijna alle denkbare materialen zijn in de loop van de tijd wel eens toegepast in zowel gebouwen als meubelen. Staal, aluminium, kunststof, hout, keramiek en glas.
Zijn gebouwen en meubelen zijn altijd bedacht vanuit het maken, ‘the making of architecture.’ En misschien is het knutselen, het uitvinden en het ontwerpplezier daarbij wel belangrijker dan het eindresultaat. Commentaar dat een gebouw van hem niet mooi zou zijn deert hem niet. ‘Niet mooi? Maar het zit wel heel slim in elkaar!’

Net als meubelen beziet Brouwer gebouwen als seriematige productieartikelen of ten minste als intelligente combinaties van industrieel vervaardigde onderdelen. En net als in een industrieel productieproces worden voor zowel de meubelen als de (onderdelen van) gebouwen altijd prototypes en schaalmodellen gemaakt. Uit het werk spreekt een geloof in vooruitgang door techniek en de rol die techniek kan spelen in het maken van slimmere en betere gebouwen. Het geloof in de techniek verklaart ook de fascinatie voor machines, aandacht voor ventilatiesystemen in gebouwen, installaties, intelligente gevels en in het latere werk ook de aandacht voor de techniek die kan bijdragen aan het maken van een duurzaam gebouw.
In zijn afscheidscollege in Delft worden Jean Prouvé, Cedric Price en Renzo Piano door Jan Brouwer met name genoemd als ontwerpers die zich ook bezighouden met ‘het maken van architectuur’ en alle drie hebben zichtbaar invloed gehad op het werk van Brouwer. Jean Prouvé wordt door Kenneth Frampton veelzeggend aangeduid als ‘ambachtsman-ingenieur’. Niet tot architect maar als smid opgeleid, begon hij met het ontwerpen van stoelen en vervolgens met aluminium, geprefabriceerde gebouwen (huis voor de tropen, benzinestation) en gevelpanelen. Soms was hij in een bouwproces alleen verantwoordelijk voor dat laatste, zoals voor Woods en Schieldhelm in Berlijn (universiteit) en voor OD 205 in Rotterdam (ziekenhuis).

Archigram bestond uit een opzienbarende groep Engelse architecten die naast hun saaie kantoorbaan met elkaar fantaseerden over een veranderlijke, verplaatsbare, modulaire architectuur en stedenbouw. Die fantasie vond aanvankelijk zijn weerslag in een gelijknamig tijdschrift (het eerste nummer verscheen in 1961), maar kreeg ook gestalte in vele plannen en enkele gebouwen. Van al deze science fiction plannen en capsulaire luchtfietserij, waren de plannen van Cedric Price nog het meest realistisch (Fun Palace uit 1961 en Potteries Thinkbelt uit 1964).

Brouwers prijsvraaginzending voor het Haags architectencafé combineert elementen die we ook herkennen in de Living-pod, Blow-out village en The Cushicle van Archigram. Een derde zichtbare invloed op het werk van Brouwer is de (Engelse) High-tech beweging. Met vertegenwoordigers als Foster (tikkeltje humorloos), Rogers (vooral een esthetisch machinebeeld najagend), Grimshaw, Hopkins en (de uit Italië afkomstige) Piano. Piano en Rogers bouwden het Centre Pompidou, een groot, technisch apparaat in het oude stadsweefsel van Parijs. Dit gezelschap is nauw verwant aan Archigram; beiden beschouwen Buckminster Fuller als hun grote leermeester. Jan Brouwer is een exponent van de Hollandse variant van deze High-tech beweging, het onderscheid met de Engelse variant zit ‘m deels in de bescheiden budgetten hier ten lande. Met hem zijn geestverwanten aan te wijzen als Benthem Crouwel (Schiphol), Cepezed (Hoofdkantoor Rijkswaterstaat) en Zwarts & Jansma (Moshé Zwarts maakt in zijn tijd bij Shell al het laboratoriumgebouw met prefab gevelpanelen in Amsterdam-Noord).

De gebouwen van Brouwer zijn herkenbaar aan een rationele structuur - vaak de zichtbare draagconstructie - maar kennen altijd wel een dissonant. Een groot, asymmetrisch geplaatst luchtkanaal (sporthal Loosduinen), een knalrode afgeronde cabine (vuiloverslag Binckhorst) of een uit de gevel stekende vergaderruimte voor de ondernemingsraad (Hoogheemraadschap Leiden) vormen een sterk contrast met de orthogonale opzet van veel gebouwen. Soms doen deze uitstulpsels denken aan ogen, zoals in het geval van de vuiloverslag en het Hoogheemraadschap, bijna een knipoog van de architect die lijkt te willen zeggen dat we het allemaal niet zo serieus moeten nemen.
Hierna volgen slechts enkele projecten uit het oeuvre van Jan Brouwer. Ze zijn uitgezocht op hun ‘uitvindersgehalte’ en geven zeker geen totaalbeeld van ruim 45 jaar van zijn architectuur. Van alle projecten die hier kort aan bod komen, lijkt het hoofdkantoor voor het Hoogheemraadschap van Rijnland in Leiden nog het meest op een gebouw. Opvallend weinig gebouwen zijn aangepast of verplaatst, zoals je zou mogen verwachten van deze flexibele, demontabele architectuur. In de eerste decennia hoeft in deze gebouwen nog maar nauwelijks gebruik te worden gemaakt van hun ingebouwde flexibiliteit.

De ironie wil dat de uitkomsten van deze werkwijze goed passen bij utiliteitsbouw en minder voor de hand liggen voor opdrachtgevers die bijvoorbeeld hun woning willen laten maken. (Norman Foster heeft ook nauwelijks woonhuizen gemaakt.) Veel kantoorgebouwen zijn bedoeld voor de huurmarkt. De tragiek daarvan is dat er nauwelijks meubelen voor gemaakt worden, hooguit een balie in de entreehal. En juist voor woonhuizen - althans het hogere segment - bestaat nogal eens de kans om tot en met het meubelwerk te mogen ontwerpen en te uit te (laten) voeren. In het oeuvre van Brouwer zien we echter zelden dat ontwerpen voor gebouwen en meubelen in hetzelfde project gerealiseerd worden. Het oeuvre van Jan Brouwer heeft, met een kleine 1.000 projecten, nadrukkelijk zijn sporen nagelaten in ons land. Toch moet je bij het doornemen van die lange lijst onmiskenbaar even denken: ‘Als, als, als...’. Want stel nu dat het hoofdkantoor van Lummus op de plek van het huidige stadhuis in Den Haag (1982), het hoofdkantoor voor Schiphol op De Elzenhof (1988) en de vuilverbranding naast het Prins Clausplein in Den Haag (1991) wél waren gerealiseerd. Dan had het werk van Jan Brouwer een nog veel groter en vooral zichtbaarder stempel op Nederland gedrukt.