MEUBELS - meubels ontwerpen

Een stoel. Elke zichzelf respecterende architect ontwerpt er wel een. Zo ook Jan Brouwer. En meer dan dat: binnen- en buitenmeubilair; relax- en werkmeubels; lampen, tafels, kasten, werkplekken en heel veel meer dan één stoel; gevlochten stoelen, uitvouwbare stoelen, boogstoelen, stapelbare stoelen, een re-design en een kruk. Ze zijn gemaakt van: aluminium, roestvrij staal, hout, mdf, karton, canvas en fietswielen, die je gedachten meevoeren naar een van de Godfathers van de architecten annex stoelenbouwers: Marcel Breuer. Breuer was geïnspireerd door zijn nieuwe Adlerfiets en schreef, in 1928, de fietsfabriek aan met het verzoek om metalen buizen. Bij Adler vond men het idee om een stoel uit stalen buis te maken waarschijnlijk bespottelijk en er kwam geen reactie.* Soms heeft de omgeving nog even tijd nodig om te wennen. Misschien is de tijd binnenkort ook rijp voor de OMA stoel, die Brouwer samen met van der Sluys maakte in de zestiger jaren.
In het maken van meubels vinden al Brouwers fascinaties uit de architectuur hun natuurlijke habitat: de dynamiek, het detail, de liefde voor nieuwe materialen en processen, het laboratoriumachtige onderzoek en het plezier van de samenwerking. Daarnaast biedt het hem de mogelijkheid het proces van begin tot eind onder ogen en in handen te houden.

Stoelen zijn zonder uitzondering het resultaat van het krachtenspel tussen de materie waaruit de stoel is opgebouwd en de zwaartekracht als tegenhanger. Dat krachtenspel krijgt vorm in samenstellingen van horizontale en verticale ‘lijnen’ en vlakken of gradueel tussen beide verschuivende vormen als (halve) cirkels. Die laatste zijn in essentie de meest flexibele, die de horizontale en verticale elementen laten roteren in alle mogelijke tussenstanden, die plaats bieden aan degene die op de stoel gaat zitten. De menselijke maat en het gewicht vormen de doorslaggevende factor in dit ingenieuze en elementaire spel van evenwicht.
Prominent aanwezig in de collectie zijn de boogstoelen. De vloeiende verstelbaarheid, die alle mogelijke posities faciliteert, komt tegemoet aan de gewenste dynamiek, wat ze in zekere zin - ook functioneel - verbindt met de veelgebruikte fietswielen.
Het zijn stoelen die geheel gedacht zijn vanuit de technieken en de materiaalkennis van nu, maar die toch een vormverwantschap vertonen met een aantal exemplaren van Prouvé. Zo is ‘Armchair for Louis Wittmann’ van Prouvé uit 1929 /1930 eveneens gebaseerd op een halve cirkel, waarbij rugleuning en zitting hun scharnierpunt vinden in de as van het denkbeeldige wiel. Deze stoel lijkt echter veel op een autostoel, met name door de lederen bekleding. Later ontwikkelde Prouvé dit model verder tot de ‘Reclining Armchair’ (1930), die vijf standen had en met behulp van tien veren werkte. In een volgende versie uit datzelfde jaar werden de tien veren vervangen door een systeem van slechts twee veren.

Het experimenteren met materialen en productieprocessen was ook een handelsmerk van Charles en Ray Eames. Van het gebruik van multiplex om het lichaam op nieuwe manieren te ondersteunen tot samenwerkingsvormen met meubelfabrikanten als Herman Miller. Die traditie leeft ook voort in de ‘Knotted chair’ van Marcel Wanders of de stoel die Wiel Arets speciaal voor het Leidsche Rijn College ontwikkelde. Anders dan de vormreferenties die vanuit dezelfde grond- en gedachtenprincipes voortkomen, zoals het geval is bij Prouvé, Rietveld en Eames, is de Corboeksier een letterlijke verwijzing, een humoristisch re-design van het werk van de grote meester, waarbij Brouwer het overigens niet kan laten om toch nog een functioneel aspect in de stoel te incorporeren: dit is een stoel die met elke vezel van zijn wezen zijn functie uitdrukt, het is de leesstoel bij uitstek - gevuld met ontelbare pocketboeken.

* Stoelen. Catalogus van de verzameling van de Faculteit Bouwkunde in Delft, Otaker Mácel, Sander Woertman en Charlotte van Wijk, Rotterdam (010) 2010, p. 16.